Terrence Agard – Zijn arts had nooit gedacht dat hij weer zou hardlopen

Terrence Agard (26) is geboren in Willemstad, op Curaçao. Hij heeft een jongere broer en zus. Zijn vader werkt bij de Dienst Openbare Werken en zijn moeder is onderwijzeres op een basisschool. Agard raakte via schoolwedstrijden geïnteresseerd in de loopsport. Lange tijd combineerde hij atletiek met zwemmen, maar negen negen jaar terug koos hij voor de atletiek. Hij maakte tweeënhalf jaar geleden de stap naar Nederland om zich internationaal te ontwikkelen als 400-meterloper. Na zijn auto-ongeluk traint hij onder leiding van Rana Reider, de Amerikaanse bondscoach van de Atletiekunie. Hun verblijf hielp hem door die eerste zware weken heen, maar in de twee maanden die volgden was hij op zichzelf aangewezen. Hij doorliep alle mentale stadia, van depressies tot woedeaanvallen, van stress tot uitzichtloosheid en van onmacht tot berusting. „Het was zwaar, héél zwaar. Zo’n situatie wens je nog niet je ergste vijand toe. Je wordt negatief. Er waren momenten dat ik dacht: fuck met alles, ik stop met atletiek. Dat ik me door de frustraties heen heb geknokt, heeft me mentaal sterker gemaakt. Ik vond mezelf mentaal altijd al sterk, maar sinds de revalidatie kan ik alles aan.”

Boos

Nou en óf hij boos was op Churandy Martina. Dat is toch menselijk, zegt Terrence Agard, de atleet die zijn nek brak bij een auto-ongeluk met de blijmoedige Curaçaose sprinter als chauffeur. „Mijn olympische droom voor ‘Rio’ was vervlogen en het was lange tijd hoogst onzeker of ik mijn carrière kon vervolgen.”

In de nacht van 11 september 2015 benaderde de dood Agard, een 26-jarige talentvolle 400-meterloper van Curaçao. Hij strompelde met zwaar hoofdletsel uit de gekreukelde Volkswagen Polo die op de A50 tegen een vrachtwagen was gebotst, nadat Martina was geschrokken van een auto die hem met hoge snelheid achterop kwam. Volgens Martina en de andere inzittende, sprinter Hensley Paulina, zag Agard er verschrikkelijk uit met zijn gehavende gezicht, vol bloed. Agard liep verdwaasd heen en weer, ging zitten en gaf een ijselijke schreeuw, van pijn, waarna hij neerzeeg, totdat ambulancepersoneel zich over hem ontfermde. De atleet zelf kan zich er niets van herinneren.

In het ziekenhuis – in Nijmegen, naar Agard later begreep – ontwaakte hij terwijl artsen doende waren een frame aan zijn schedel te schroeven. De atleet denkt er vol afgrijzen aan terug: „Het eerste wat de dokter zei: je nek is gebroken. Ik raakte in paniek en ging volledig ‘out’. Toen ik een paar uur later opnieuw ontwaakte met een stellage op mijn hoofd was ik niet langer in paniek, wel uitermate bezorgd. Gelukkig kon ik mijn vingers en mijn benen bewegen, dat stelde me gerust.”

Volgens de behandelend arts werd Agard de nacht van het ongeluk omringd door duizend engeltjes. „Ik zat tegen een dwarslaesie aan of had zelfs dood kunnen zijn”, zegt Agard anderhalf jaar later. „Die arts zei dat hij nooit eerder iemand met dergelijke verwondingen helemaal gezond had zien worden. Het is echt een wonder dat ik hier zit, dat ik weer kan hardlopen, dat ik komend weekeinde in Belgrado aan de EK indoor kan meedoen. Nee, ik heb nergens meer last van. Alleen bij het opstaan voelen mijn nek en schouders wat stijfjes, maar dat gaat in de loop van de dag over.”

Gekozen voor vergeving

Dat Martina daags na het ongeluk als eerste aan zijn ziekenhuisbed stond en zich uitvoerig excuseerde, waardeerde Agard ten zeerste, maar verdreef op dat moment niet zijn woede. „Sorry is maar een woord. Ik voelde de pijn van de werkelijkheid. Ik was nog enige tijd boos op hem. Nee, dat spraken we niet uit, dat voelde hij wel; in elkaars omgeving was er altijd spanning. Op een goed moment heb ik ervoor gekozen hem te vergeven. Churandy heeft het ongeluk niet met opzet veroorzaakt, het had mij ook kunnen overkomen. Sindsdien is mijn woede verdwenen. Door alles los te laten en door te gaan met leven, voel ik me weer oké. Het heeft me ook geholpen bij de revalidatie.”

In retrospectief was de herstelperiode zwaar, vooral de eerste drie maanden toen het frame aan zijn hoofd hem ernstig hinderde. Wilde hij opzij kijken, dan moest hij zijn hele lichaam draaien. Slapen mocht alleen rechtop. En vliegen naar zijn geliefde Curaçao was verboden op medische gronden. Dus kwamen zijn ouders de eerste vier weken naar sportcentrum Papendal, waar Agard woont.

Pas op Curaçao hervond Agard ook fysiek zichzelf. Op zijn geboortegrond waar hij onmiddellijk na verwijdering van het hoofdframe naartoe was gevlogen, ging het herstel sneller dan verwacht, mede dankzij het vele zwemmen, zoals de artsen hem hadden geadviseerd. „Heerlijk was dat. Vanaf het vliegveld ging ik rechtstreeks naar het strand. Om Curaçao weer te ruiken, te proeven. Man, wat had ik mijn land die drie maanden gemist – meer dan ooit.”

Opgevoerde trainingsintensiteit

Na wat voorzichtige stapjes voerde Agard de trainingsintensiteit voorzichtig op. Tot hij in april in het Amerikaanse Gainesville, bij de Florida Relays, de 400 meter in 48.92 seconden liep. Dat gaf hoop op een hervatting van het seizoen, dat hij eigenlijk had afgeschreven. En de artsen helemaal, want die hadden hem voorgehouden dat hij een vervolg van zijn atletiekloopbaan wel kon vergeten. Een gedachte die Agard verwierp. De atleet in hem dacht: als ik al zo snel ‘48’ kan lopen, kan het sportief nog een mooie zomer worden. Per wedstrijd liep hij een halve seconde sneller om met de Nederlandse estafetteploeg van de 4×400 meter uiteindelijk net naast de olympische limiet voor de Spelen in Rio de Janeiro te grijpen. Hij sloot het jaar af met een ‘46’, maar vooral met het vooruitzicht dat hij de oude kon worden.

Ultieme doel is nu Tokio 2020

En nu is hij helemaal terug van weggeweest, zegt Agard op Papendal, kort voor vertrek naar Belgrado, waar de EK indoor zijn eerste internationale toernooi na het ongeluk wordt. Vanaf nu kan hij werken aan zijn ultieme doel: de Olympische Spelen van 2020 in Tokio. Dáár wil Agard de finale van 400 meter lopen, de afstand waar de Zuid-Afrikaan Wayde van Niekerk olympisch kampioen werd in een fenomenaal wereldrecord van 43,03 seconden. De afstand waarop iedere loper ‘dood’ gaat, maar die Agard zo lief is, in tegenstelling tot de meeste Curaçaoënaars – die kiezen liever voor de 100 en 200 meter. „Maar ik geniet van het gevoel na afloop, dat ik gewerkt, gezwoegd en geknokt heb.”

En nu maar hopen voor Agard dat hem verder onheil bespaard blijft. Want om nu te zeggen dat hij veel geluk heeft gekend in zijn leven, niet bepaald. Hij bezocht nog wel eens de poli op Curaçao, zoals hij het zelf omschrijft. Wegens kleine verwondingen, de moeite van het noemen niet waard, vindt hij. Op één gevalletje na: een ongelukje in 2011 toen hij bij een sprong over een hek de helft van zijn rechterringvinger kwijtraakte. Agard bleef met zijn ring achter het hek haken, waarna een deel van zijn vinger ruw werd afgerukt. Er is goed mee te leven, zegt Agard. Het hindert hem hooguit bij krachttrainingen, als bij bepaalde oefeningen de stang wegglijdt, een euvel dat hij oplost met een armband.

Nee, hij is geen klager, ook niet als het om geld gaat. Als atleet met een B-status kan hij maandelijks tot 200 euro aan sport gerelateerde uitgaven declareren, dat is het. Zijn inkomsten haalt de atleet uit Curaçao, waar hij samen met zijn broer een autoverhuurbedrijf runt. „Een klein bedrijf”, zegt hij bescheiden. „We hebben maar vijf auto’s. Maar het is net genoeg om in Nederland mijn sport te kunnen bekostigen. Ik heb weinig nodig. Ik woon op Papendal, waar ik alles heb: een appartement, de atletiekbaan en een restaurant. En als ik ergens heen wil? Dan neem ik de trein of de bus.” Waarna een brede, tevreden lach zijn gezicht plooit.

Bron: NRC

Geef een reactie